Atriumfibrillatie: antistollingstherapie voor en na ablatie
Een antistollingstherapie is van primordiaal belang zowel voor als na ablatie wegens atriumfibrillatie om geen risico te lopen tijdens de interventie op de voorkamer en om de voorkamer de tijd te laten te herstellen na ablatie. Op langere termijn rijst de vraag of het direct werkend oraal anticoagulans moet worden voortgezet om ischemische accidenten te voorkomen of moet worden stopgezet om bloedingen te voorkomen. Bij gebrek aan evidentiegebaseerde gegevens kan je je beslissing baseren op de CHA2DS2-VASc-score.
Voor en na katheterablatie wegens atriumfibrillatie is er een hoog risico op embolie. De schede en de katheter in de linkervoorkamer beschadigen het weefsel, wat leidt tot een protrombotische toestand. Een recente meta-analyse raamt de incidentie van stille embolische accidenten op 8-9,6% en die van klinische ischemische accidenten van de hersenen op 0,3%. De procedure kan ernstige complicaties veroorzaken (1,9%), die in 0,05% van de gevallen dodelijk zijn, vooral vasculaire complicaties (45%), tamponnade/pericarduitstorting (27%) en CVA/TIA (6%). De cijfers zijn echter blijkbaar verbeterd te oordelen naar de HR in de periode 2013-2017 en de HR in 2018-2022. Dat wijst erop dat we de technieken beter onder de knie hebben.
Wilt u de rest van dit artikel lezen?
Registreer gratis om toegang te krijgen tot de volledige inhoud van MediQuality op al uw schermen