Congres  >   BES 2025  >  Continue glucosemonitoring: angst voor hypo, geen correlatie met cardiovasculaire accidenten

Continue glucosemonitoring: angst voor hypo, geen correlatie met cardiovasculaire accidenten

Alsmaar meer type 1-diabetespatiënten maken gebruik van continue glucosemonitoring (CGM), maar ze zijn toch nog altijd bang voor hypo’s. Ook moet de correlatie tussen de TIR en de incidentie van ernstige cardiovasculaire accidenten nog worden gepreciseerd. Op het 35e jaarlijkse congres van de Belgian Endocrine Society (BES 2025), dat in oktober 2025 heeft plaatsgevonden in Terhulpen (België), zijn daar twee studies over gepresenteerd.

CGM en angst voor hypoglykemie: gevolg van psychische factoren

Bij type 1-diabetespatiënten wordt de glykemie nu nagenoeg altijd continu gemeten met een glucosesensor (CGM). Beleven de patiënten hypo's (die met de sensor in realtime worden gedetecteerd) anders? Laura Valgaerts et coll. (KU Leuven) hebben de correlatie onderzocht tussen de angst voor en de perceptie van hypoglykemie en de tijd dat de glykemie bij CGM te laag was, en andere parameters van CGM.1 Ze hebben daarvoor een retrospectieve studie uitgevoerd van de evolutie over een periode van 12 maanden van CGM-parameters en de scores op specifieke vragenlijsten: Hypoglycemia Fear Survey II (HFS) en de waargenomen episoden van hypoglykemie volgens de Diabetes Treatment Satisfaction Questionnaire - status (DTSQs-hypo).

De studie is uitgevoerd bij 1370 volwassenen van gemiddeld 41 jaar (55,9% vrouwen) met type 1-diabetes die gebruik maakten van realtime-CGM (rtCGM, n = 254) of een hybride geslotenlussysteem (HCL, n = 1 116). Bij inclusie in de studie bedroeg het HbA1c-gehalte 7,6% en de TIR 61,1 ± 15,5%.

Resultaat: de vorsers hebben geen duidelijke correlatie vastgesteld tussen de evolutie van de angst voor en de perceptie van hypoglykemie en de CGM-parameters. Met andere woorden, de sensor is zo afgesteld dat hij een signaal geeft als het bloedglucosegehalte laag is, maar lost niet alle psychische stress in samenhang met type 1-diabetes op.

TIR en MACE: geen correlatie na 5 jaar

De cardiovasculaire sterfte en morbiditeit zijn hoger bij patiënten met type 1-diabetes dan bij gezonde mensen.2 Sinds de ontwikkeling van continue glucosemonitoring (CGM) maken we gebruik van nieuwe "glucometrische" gegevens zoals de tijd binnen de streefwaarden (70-180 mg/dl) (TIR) en de tijd binnen striktere streefwaarden (70-140 mg/dl) (TITR). Amber Sabbe et coll. (Universitair ziekenhuis Antwerpen) hebben de correlatie onderzocht tussen de TIR en macrovasculaire complicaties (MACE, major adverse cardiovascular events).

De vorsers hebben de gegevens doorgenomen van 147 volwassenen met type 1-diabetes die werden behandeld met meerdere insuline-injecties per dag of een insulinepomp en gebruik maakten van CGM. De gegevens werden geanalyseerd over een periode van 5 jaar.

Macrovasculaire complicaties werden gedefinieerd als: coronairlijden, revascularisatie, cerebrovasculair accident (CVA of TIA) en perifeer arterieel lijden.

De studie is uitgevoerd bij 147 volwassenen van gemiddeld 46 ± 16 jaar (51,7% mannen). De gemiddelde duur van de diabetes was 28 ± 14 jaar. De gemiddelde BMI was 24,9 ± 3,9 kg/m².

Het mediane HbA1c-gehalte bedroeg 7,5% (95% BI: 6,9-8,1%), de TIR 49 ± 15% en de TITR 34 ± 11%.

Na een mediane follow-up van 5 jaar was het mediane HbA1c-gehalte gedaald tot 7,1% (95% BI: 6,5-7,6; p < 0,001), de TIR was gestegen naar 63 ± 16% (p < 0,001) en de TITR naar 41 ± 14% (p = 0,005).

Tijdens de follow-up is 15 keer een acuut coronair syndroom geregistreerd (in 6 gevallen met en in 9 gevallen zonder symptomen). 3 patiënten zijn overleden. Er is geen enkel overlijden als gevolg van een hart- en vaataandoening gerapporteerd. Er zijn 6 cerebrovasculaire accidenten (3 TIA's en 3 CVA's) geregistreerd. 14 patiënten vertoonden een perifeer arterieel lijden en één patiënt heeft daarvoor chirurgie ondergaan.

De patiënten die MACE hebben ontwikkeld, hadden vaker een familievoorgeschiedenis van hart- en vaataandoeningen (p = 0,016), namen vaker antihypertensiva in zowel in het begin van de studie (65,2% vs. 34,8%, p = 0,003) als na 60 maanden (63,6% vs. 39,5%, p = 0,036) en kregen vaker een cholesterolverlager in het begin van de studie (65,2% vs. 30,4%, p = 0,004). Er is geen significant verschil in HbA1c-gehalte of TIR gemeten tussen de groep met en de groep zonder MACE.

Bronnen:

  1. Valgaerts L, De Meulemeester J, Visser M et coll. Correlations between fear and perception of hypoglycemia and continuous glucose monitoring metrics in adults with type 1 diabetes using diabetes technology : a one-year retrospective study. 35e Congrès annuel de la Belgian Endocrine Society (BES 2025), La Hulpe (Belgique), octobre 2025.
  2. Sabbe A, Bochanen N, De Block C et coll. Relationship between macrovascular complications and time in range in adults with type 1 diabetes. 35e Congrès annuel de la Belgian Endocrine Society (BES 2025), La Hulpe (Belgique), octobre 2025.
BES meeting 2025

Lucie Brilleman - Belangenconflicten: geen • MediQuality