COVID-19: Een op vijf eerstelijnszorgverleners in huisartspraktijk testte positief
BRUSSEL 14/01 - Een op de vijf eerstelijnszorgverleners in Belgische huisartspraktijken testte positief sinds het begin van de COVID-19-crisis, zo blijkt donderdag uit de eerste resultaten van het nationaal seroprevalentieonderzoek CHARMING (Coronavirus HuisARtsenpraktijk-MédecINe Générale). Meestal werd een patiënt of medewerker als bron van de infectie geïdentificeerd.
Deze nationale studie, gefinancierd via Sciensano en geleid door professor Samuel Coenen (Centrum Huisartsgeneeskunde van de UA), focust op de seroprevalentie van SARS-CoV-2 bij huisartsen en eerstelijnszorgverleners in België. In de week voor en de week na Nieuwjaar ontvingen iets meer dan 3.000 eerstelijnszorgverleners die werken in een huisartsenpraktijk, door Sciensano gevalideerde serologische sneltesten. Onthaalmedewerkers en andere medewerkers zonder fysiek patiëntencontact kwamen dus niet in aanmerking.
In een voorlopige analyse van de eerste resultaten, wordt de prevalentie van antilichamen tegen SARS-CoV-2 onder eerstelijnszorgverleners geschat op 14,3 procent. Samen met de eerstelijnszorgverleners die negatief testten op de serologische sneltest, maar antwoordden dat ze sinds de uitbraak eerder al positief testten, is tot nu toe 20 procent van de eerstelijnszorgverleners ooit geïnfecteerd met SARS-CoV-2.
Als bron van hun infectie identificeert 55 procent een patiënt, 25 procent een familielid, 14 procent een medewerker en 6 procent heeft geen idee.
Wie eerder al positief testte in de tweede golf, testte 69 procent positief op de serologisch sneltest, terwijl dit slechts 46 procent was bij wie vóór september 2020 al positief testte.
Bijna 90 procent van alle deelnemende eerstelijnszorgverleners is (helemaal) akkoord om gevaccineerd te worden zodra er een vaccin beschikbaar is.
Het project zal bij gevaccineerden de ontwikkeling van antilichamen tegen SARS-CoV-2 en hun levensduur verder bestuderen.