Dossiers  >   Myeloproliferatieve neoplasieën  >  Recidief van myelofibrose tijdens behandeling met een JAK-remmer: is een BCLX1/BCL2-remmer een optie?

Recidief van myelofibrose tijdens behandeling met een JAK-remmer: is een BCLX1/BCL2-remmer een optie?

De REFINE-studie stelt een tweedelijnstherapie voor bij patiëntenmet een myelofibrose die verergert of niet voldoende reageert op ruxolitinib in monotherapie. De toevoeging van navitoclax, een BCLX1/BCL2-remmer, aan ruxolitinib verkleint het miltvolume na 24 weken en verbetert de symptomen. Gezien het gunstige effect op de overleving als de beenmergfibose en de frequentie van pathologische allelen verminderen, denken de auteurs dat die 2 geneesmiddelen niet alleen een effect hebben op de symptomen, maar ook op het natuurlijke ziekteverloop.

De behandeling van patiënten met myeofibrose die niet in aanmerking komen voor transplantatie, bestaat in een JAK2-remmer. Ruxolitinib vermindert de splenomegalie en verbetert de symptomen. Maar niet alle patiënten reageren op ruxolitinib en die patiënten moeten dan een tweedelijnstherapie krijgen. Je zou ruxolitinib kunnen vervangen door een andere JAK-remmer zoals fedratinib en pacritinib. In de JAKARTA-2-studie verminderde het miltvolume >35% en verbeterde de levenskwaliteit te oordelen naar de QLQ-C30 bij een derde van de patiënten die werden behandeld met fedratinib. Soms is het echter beter een geneesmiddel met een ander werkingsmechanisme voor te schrijven als tweedelijnstherapie. Vandaar het idee om navitoclax, een BCLX1/BCL2-remmer, te evalueren. De eiwitten BCLX1 en BCL2 spelen een belangrijke rol bij de apoptose.

Wilt u de rest van dit artikel lezen?

Registreer gratis om toegang te krijgen tot de volledige inhoud van MediQuality op al uw schermen