Pneumocystose zonder hiv-infectie: een lagere dosering cotrimoxazol voorschrijven?
Een Pneumocystis jiroveci-pneumonie bij hivnegatieve patiënten wordt behandeld met de combinatie trimethoprim-sulfamethoxazol (TMP-SMX) in de doseringen die in de jaren tachtig werden aanbevolen voor de behandeling van pneumocystose bij hivdragers. De werkzaamheid van die combinatietherapie staat buiten kijf, maar ze veroorzaakt nogal wat bijwerkingen. Vandaar de vraag: “Kan je de dosering niet verlagen om minder bijwerkingen te krijgen met behoud van de werkzaamheid bij hivnegatieve patiënten?
Een Pneumocystis jiroveci-pneumonie is vaak het eerste teken van aids. Het is een opportunistische infectie, die in de hand wordt gewerkt door de immunodeficiëntie. De behandeling bestaat in een combinatie van trimethoprim (TMP) in een dosering van 15-20 mg/kg/d en sulfamethoxazol (SMX) in een dosering van 75-100 mg/kg/d. Die doseringen zijn vastgelegd in de jaren tachtig toen de eerste gevallen van Pneumocystis jiroveci-pneumonie zijn gerapporteerd bij aidspatiënten. Die behandeling is doeltreffend, maar veroorzaakt bijwerkingen: gastro-intestinale, hepatische, renale, hematologische … 57% van de patiënten vraagt om die reden van behandeling te veranderen. Die doseringen worden voorgeschreven bij alle patiënten met een pneumocystose, ook bij hivnegatieve patiënten. De vraag rijst evenwel: "Zou je de dosering niet kunnen verlagen om minder bijwerkingen te krijgen?" Het antwoord op die vraag is belangrijk. Sinds enkele jaren stijgt het aantal immunogedeprimeerde patiënten zonder hiv-infectie immers als gevolg van transplantatie en behandeling met immunosuppressiva. De sterfte bij een Pneumocystis jiroveci-pneumonie bedraagt 30-60%, dus drie keer meer dan bij hiv-geïnfecteerde patiënten met een Pneumocystis jiroveci-pneumonie (10-20%).
Wilt u de rest van dit artikel lezen?
Registreer gratis om toegang te krijgen tot de volledige inhoud van MediQuality op al uw schermen