Gevallen van ernstige diabetes bij de behandeling van kanker met immunotherapie
Dat is een zeldzame complicatie van immunotherapie, die echter de nodige aandacht verdient. Tijdens of na de behandeling ontwikkelt een aantal patiënten een diabetes, die over het algemeen ernstig is: bijna de helft van de patiënten wordt op een intensive care opgenomen. Dat is de conclusie van een grote studie, die is gepubliceerd in JAMA Oncology.
De belangrijkste obstakels tegen het gebruik van immunotherapie bij kanker zijn de bijwerkingen en de kostprijs. De bijwerkingen op het spijsverteringsstelsel en de huid worden over het algemeen snel gediagnosticeerd, maar de artsen weten nog niet goed dat immunotherapie ook hyperglykemie en andere endocriene problemen kan veroorzaken. Bovendien stijgt de glykemie soms pas lang na het voorschrijven van de kankertherapie. Sinds het midden van de jaren 2010 worden in de literatuur gevallen van acute hyperglykemie met een ernstig insulinetekort, het beeld dus van een type 1-diabetes, gerapporteerd (geneesmiddelenbewakingsgegevens).
Zoe Quandt et coll. (San Francisco, Verenigde Staten) hebben voor hun studie de geneesmiddelenbewakingsgegevens doorgenomen die worden verzameld in het kader van de evaluatie van kankertherapieën door het Amerikaanse National Cancer Institute (NCI), dat de gegevens bundelt van honderden klinische studies. Uitgaande van die gegevens hebben ze de incidentie van hyperglykemie gemeten bij patiënten die een immunotherapie kregen met een checkpointremmer, en de klinische kenmerken ervan.
De vorsers hebben de gegevens doorgenomen van de klinische studies die zijn uitgevoerd tussen juni 2015 en december 2022. In het totaal ging het om 158 klinische studies bij 13 966 patiënten.
Slechts bij 0,52% van de patiënten is een door immunotherapie veroorzaakte diabetes gediagnosticeerd. Het betreft dus wel degelijk een zeldzame complicatie. Het risico verschilde echter volgens het type kanker: 0% bij slokdarm-, maag-, pancreas-, prostaat-, schildklierkanker, glioblastoom, 0,29% bij longkanker, 0,79% bij ovariumkanker, 1,14% bij melanoom en 1,24% bij nierkanker.
Het risico blijkt ook te verschillen volgens de aard van de behandeling. Het risico bedroeg gemiddeld 0,65% met immunotherapie zonder chemotherapie en 0,26% met immunotherapie plus chemotherapie (odds ratio [OR]: 0,38; 95% BI: 0,21-0,71; p = 0,002).
Het feit dat het risico lager is bij combinatie met chemotherapie is volgens de auteurs mogelijk toe te schrijven aan het feit dat chemotherapie het aantal lymfocyten en dus waarschijnlijk ook het aantal autoreactieve lymfocyten verlaagt.
Bij combinatie van twee checkpointremmers, een PD-1- of een PD-2-antagonist plus een CTLA-4-antagonist bedroeg het risico 0,94% (versus 0,37% met één enkel immunotherapeutisch middel).
De gevallen van door immunotherapie opgewekte diabetes waren ernstig (zeer hoge glykemiewaarden). In 90% van de gevallen werden de patiënten in een ziekenhuis opgenomen en in 43% van de gevallen op een intensive care.
De auteurs merken op dat de glykemie zeer hoog kan oplopen in geval van diabetes op immunotherapie (tot 6,28 g/l). Bij diabetes door corticosteroïden was dat 4,63 g/l en bij opflakkeringen van type 2-diabetes rond 4 g/l.
Volgens de auteurs is het optreden van diabetes tijdens immunotherapie een indirect teken van activering van het immuunsysteem door de behandeling (net zoals de thyroïditis veroorzaakt door immunotherapie). Andere bijwerkingen zoals diarree blijken weinig specifiek te zijn. Het optreden van diabetes zou volgens de auteurs zelfs een waarschuwingssignaal zijn bij kankerpatiënten die een immunotherapie krijgen.
Bron:
Quandt Z, Finningan S, Hill V et coll. Immune Checkpoint Inhibitor–Induced Diabetes Across National Cancer Institute Trials That Included PD-1 or PD-L1 Agents. JAMA Oncol. 2025; 10.1001/jamaoncol.2025.5594