Endometriumkanker: het chirurgische stadium heeft prognostische waarde
Bij de keuze van de adjuvante behandeling bij endometriumkanker moet men zowel rekening houden met het chirurgische stadium als met de moleculaire classificatie.
Heeft het chirurgische stadium in een tijd van moleculaire profilering nog altijd een onafhankelijke prognostische waarde of volstaat de biologie van de tumor bij het nemen van een therapeutische beslissing? Om dat uit te pluizen, hebben de vorsers een Europees multicentrisch retrospectief cohortonderzoek uitgevoerd bij 2.056 patiënten die tussen 1994 en 2018 waren behandeld in 11 centra. Alle FIGO-stadia (2009) en pathologisch-anatomische subtypes waren vertegenwoordigd. De tumoren werden in vier moleculaire groepen ingedeeld volgens de ProMisE-classificatie: POLEmut (8 %), MMRd (28 %), NSMP (44 %) en p53abn (21 %).
FIGO-stadium: onafhankelijke prognostische factor
De sterfte aan endometriumkanker na 5 jaar bedroeg 16,5 % en de incidentie van recidief 23,8 %. Zoals te verwachten was, had de POLEmut-groep de beste prognose (specifieke sterfte na 5 jaar: 3,2 %), gevolgd door de MMRd-groep (12,7 %) en de NSMP-groep (11,0 %). De p53abn-groep had de slechtste prognose (38,7 %).
Bij multivariate analyse had het FIGO-stadium nog altijd een onafhankelijke prognostische waarde, die significant correleerde met de sterfte en het risico op recidief. Dat was ook zo in de verschillende subgroepen (p < 0,001 in alle groepen). Een tumor die beperkt bleef tot de baarmoeder (FIGO I), had de beste prognose. Lymfekliermetastasen (FIGO IIIC) correleerden met een significant slechtere prognose in de POLEmut-, de MMRd- en de p53abn-groep. Opmerkelijk is dat de moleculaire classificatie in stadium IV geen significante prognostische waarde meer had: de prognose was dan altijd slecht, ongeacht het moleculaire profiel. In stadium III echter was er een groter verschil in overleving tussen de moleculaire groepen (specifieke sterfte 11,8 % tot 53,6 %).
Biologie en anatomie zijn belangrijk
Sinds de integratie van moleculaire classificatie in de richtlijnen van de ESGO-ESTRO-ESP hebben de oncologen geprobeerd minder rekening te houden met het chirurgische stadium en hebben ze zelfs het nut van een dissectie van de lymfeklieren ter discussie gesteld, met name bij patiënten met een POLEmut-tumor, die a priori een uitstekende prognose hebben.
Deze studie biedt echter toch wat tegengewicht: zelfs bij patiënten met een POLEmut-tumor correleerde het FIGO-stadium significant met de prognose. Een gunstige biologie beschermt dus niet tegen de schadelijke klinische gevolgen van uitzaaiing van de tumor.
Een p53abn-tumor heeft al vanaf stadium I een slechte prognose (5-jaarssterfte aan endometriumkanker 22 %). Een intensievere behandeling zou dus wenselijk kunnen zijn, zelfs in geval van een plaatselijke tumor.
In de NSMP-groep, de meest heterogene groep, die bijna de helft van de gevallen omvatte, was er geen significant verschil in overleving in stadium II en IIIA/B. Wel was er een verschil in tijd tot optreden van een recidief. Dat wijst erop dat een tweedelijnstherapie doeltreffend kan zijn, maar dat er toch nog altijd een risico op recidief is.
De vaststelling dat de moleculaire classificatie geen prognostische waarde meer heeft in stadium IV, is klinisch belangrijk. Dat pleit voor een intensieve behandeling van endometriumkanker stadium IV, ongeacht het tumorprofiel.
Bron:
Kasius J, Kildal W, Vrede S et coll. Surgical stage in the era of molecular profiling of endometrial cancer. Eur J Cancer. 2026 Jan 17:233:116164. doi: 10.1016/j.ejca.2025.116164.