Subklinische atriumfibrillatie: antistollingstherapie, opsporen en de hulp inroepen van artificiële intelligentie
en subklinische atriumfibrillatie wordt gedefinieerd als weinig frequente, korte episoden van verhoogde atriale frequenties (AHRE) die worden gedetecteerd met een ingeplant medisch hulpmiddel (defibrillator, pacemaker, lusrecorder). AHRE (atrial high rate episodes) correleren met een hoog risico op CVA en overlijden. De vraag rijst dan ook: “Is een antistollingstherapie geïndiceerd? Daarbij moet je de heilzame effecten afwegen tegen het bloedingsrisico. Nu kunnen we onze beslissing baseren op de studies NOAH-AFNET6 en ARTESIA of een beroep doen op artificiële intelligentie. Een gesprek met prof. H. Pürerfellner (Oostenrijk), prof. R. Schabel (Duitsland) en prof. N. Bruining (Nederland)
De prevalentie van subklinische atriumfibrillatie wordt geraamd op 28,1% (Proietti M, et al. 2022). Een hoge leeftijd, een hoge CHA2DS2-VASc-score en een voorgeschiedenis van atriumfibrillatie, hypertensie, chronisch hartfalen en CVA/TIA correleren met een hoger risico op subklinische atriumfibrillatie. Het risico op CVA en/of systemische embolie is echter lager bij AHRE dan bij een klinische atriumfibrillatie. Moet je dan wel een antistollingstherapie voorschrijven? Een moeilijke vraag. De beslissing hangt af van de CHA2DS2-VASc-score (> 4), de duur van de episoden (> 6 minuten of > 24 uur), de AF-belasting en de mening van de patiënt, maar er zijn grijze zones. Wat doe je bij episoden van minder dan 6 minuten of een licht verhoogde CHA2DS2-VASc-score? Wat leren de klinische studies?
Wilt u de rest van dit artikel lezen?
Registreer gratis om toegang te krijgen tot de volledige inhoud van MediQuality op al uw schermen