Congres  >   EASD 2025  >  Type 1-diabetes: ketoacidose is frequent, vooral bij jongeren

Type 1-diabetes: ketoacidose is frequent, vooral bij jongeren

De jaarlijkse incidentie van ketoacidose bij patiënten met type 1-diabetes wordt in Frankrijk geraamd op 4,5% en zou het hoogst zijn in de leeftijdsgroep van 18-24 jaar, volgens een cohortonderzoek dat de patiënten volgt sinds 2020 en dat is gepresenteerd op het congres van de European Association for the Study of Diabetes (EASD 2025) in Wenen. Opstarten van een continue glucosemonitoring na een ziekenhuisopname wegens ketoacidose vergemakkelijkt het therapeutische beleid.

Patiënten van 18-24 jaar en patiënten zonder glucosesensor lopen het hoogste risico

Jean-Pierre Riveline et coll. (Parijs, Frankrijk) hebben de gegevens doorgenomen van 2685 in Frankrijk wonende patiënten met type 1-diabetes die deelnemen aan het prospectieve cohortonderzoek SFDT1, dat is gestart in 2020.1 Over verloop van een jaar hebben 122 patiënten een episode van diabetische ketoacidose doorgemaakt, dus een incidentie van 4,5% in de totale cohorte.

Ketoacidose komt dus nog altijd vaak voor, zelfs nu nagenoeg alle patiënten continue glucosemonitoring toepassen en een insulinepomp dragen.

Bij de patiënten van 18-24 jaar, die 15,4% van de cohorte uitmaakten, bedroeg de incidentie van diabetische ketoacidose 10,3%. De type 1-diabetespatiënten die minstens één episode van ketoacidose hadden gerapporteerd, waren gemiddeld jonger dan de patiënten zonder episode van ketoacidose (gemiddeld respectievelijk 29,3 en 37,1 jaar), hadden minder lang diabetes (15,2 versus 21 jaar) en hadden een hoger gemiddeld HbA1c-gehalte (8,7% vs. 7,6%).

De incidentie van diabetische ketoacidose was het hoogst (8,1%) bij de patiënten zonder continue glucosemonitoring en was het laagst (3,1%) bij de patiënten met een automatische insulinepomp.

De meeste patiënten die een of meer episoden van ketoacidose hebben doorgemaakt, hebben slechts één episode vertoond over verloop van een jaar, maar circa 25% heeft twee of meer episoden ontwikkeld. 27% van de patiënten die een episode van ketoacidose hebben gerapporteerd, had tijdens het afgelopen jaar minstens één episode van hypoglykemie vertoond. In de groep zonder ketoacidose was dat maar 8,5%.

Vandaar het belang van een striktere follow-up van de glykemische variabiliteit en betere educatie van de patiënten met focus op meting van de ketonen om die accidenten te voorkomen.

Voorkomen en het risico op afstand volgen

Tijdens een ziekenhuisopname wegens ketoacidose (continue insulinetoediening, vochttoediening, toediening van kalium, behandeling van de oorzaak) wordt de glykemie om het uur gemeten om de insulinedoses aan te passen. Waarom zouden we daarvoor niet de gegevens van een continue glucosemonitoring (die op afstand door de arts worden afgelezen) gebruiken in plaats van intermitterende meting van de glykemie?

Magdalena Bogun et coll. (New-York, Verenigde Staten) hebben een studie uitgevoerd bij patiënten die een continu insuline-infuus kregen wegens ketoacidose. 44 patiënten werden op de spoedafdeling gevolgd met continue glucosemonitoring (22 patiënten zijn nadien toch opgenomen in het ziekenhuis). 119 patiënten werden meteen opgenomen op de intensive care. Bij die laatste patiënten werd de glykemie regelmatig gemeten op capillair bloed. Daarna werden ze getransfereerd naar een gewone ziekenhuisafdeling (het protocol dat in het ziekenhuis gewoonlijk wordt gevolgd). De duur van het ziekenhuisverblijf bedroeg 120 uur voor de eerste groep en 99,1 uur voor de tweede (waarvan 28,5 uur op de intensive care). 

De tijd om het acute gebeuren onder controle te krijgen werd geraamd op 12,8 uur met continue glucosemonitoring en 12 uur met de klassieke aanpak. Het mediane aantal metingen van de capillaire glykemie was 5 in de eerste groep en 12 in de tweede.

Er is geen enkele episode van hypoglykemie gemeld in de groep die werd gevolgd met continue glucosemonitoring, tegen 3 episoden in de groep waarin de capillaire glykemie werd gemeten.

Continue glucosemonitoring bij ketoacidose is dus even effectief als de klassieke methode. Die techniek verlaagt het aantal (dure) opnames op een intensive care en het risico op hypoglykemie en je hoeft dan niet meer herhaaldelijk capillair bloed af te nemen.

Bronnen:

  • Riveline JP, Potier L, Ihaddadene Salzgeber T et coll. Prevalence and characteristics of diabetic ketoacidosis in type 1 diabetes: real-world data from the French SFDT1 cohort. Session LBA 27. 
  • Bogun M, Wang C, Kurlansky P et coll. Real-time continuous glucose monitoring vs hourly point-of-care testing in diabetic ketoacidosis: impact on clinical outcomes. 
EASD 2025

Dr. Isabelle Catala - Belangenconflicten: geen • MediQuality