Relaps van of refractair diffuus grootcellig B-cellymfoom: naar een tweedelijnstherapie met CAR-T-cellen?
20/12 - In de ZUMA-1-studie bij patiënten met een relaps van of een refractair diffuus grootcellig B-cellymfoom na ≥ 2 cycli immuno-chemotherapie zijn zeer interessante resultaten behaald met CAR-T-cellen. Het zou dan ook logisch zijn CAR-T-cellen voor te schrijven als tweedelijnstherapie, maar welke argumenten hebben we daarvoor? Het antwoord op die vraag wordt geboden door de ZUMA-7-studie, waarvan de resultaten zijn gepresenteerd op het recente congres van de American Society of Haematology. In een notendop, een tweemaal hoger percentage complete respons met axicabtagene ciloleucel dan met de “standaardzorg” en een mediane totale overleving die nog niet is bereikt op het ogenblik van de analyse.
Bij een relaps van of een refractair diffuus grootcellig B-cellymfoom bestaat de tweedelijnstherapie in chemotherapie in hoge dosering met transplantatie van autologe stamcellen in geval van respons. Maar niet alle patiënten reageren op die behandeling en dat kan toe te schrijven zijn aan factoren die te maken hebben met de ziekte, zoals primaire resistentie, een hoge International Prognostic Index of aanwezigheid van genetische afwijkingen (herschikking van MYC met BCL2 of BCL6 of beide). Patiënten die niet reageren op of niet in aanmerking komen voor autologe stamceltransplantatie, kunnen een tweedelijnstherapie krijgen met andere geneesmiddelen met een andere werkingsmechanisme, maar de prognose blijft slecht. Tegen die achtergrond wordt veel hoop gesteld in CAR-T-cellen, zoals de ZUMA-1-studie heeft aangetoond bij patiënten met een relaps van of een refractair diffuus grootcellig B-cellymfoom na ≥ 2 cycli chemo-immunotherapie. Hoe doeltreffend is zo'n tweedelijnstherapie?
Wilt u de rest van dit artikel lezen?
Registreer gratis om toegang te krijgen tot de volledige inhoud van MediQuality op al uw schermen