Inflammatoire darmaandoeningen: ontsteking en cardiometabool risico
De auteurs van een Australische studie naar de mogelijke correlaties tussen inflammatoire darmaandoeningen en cardiometabole aandoeningen stellen dat “artsen er zich meer bewust van moeten zijn dat patiënten met een inflammatoire darmaandoening een hoger cardiometabool risico lopen en dat bepaalde behandelingen negatieve cardiometabole effecten kunnen hebben, vooral bij patiënten met andere risicofactoren.
Het metabool syndroom is een belangrijke risicofactor voor cardiometabole aandoeningen zoals type 2-diabetes, CVA en ischemisch hartlijden. Er zijn alsmaar meer aanwijzingen van een mogelijke correlatie tussen chronische inflammatoire darmaandoeningen en de latere ontwikkeling van cardiometabole ziekten. Dat is belangrijk als je weet dat inflammatoire darmaandoeningen doorgaans al op jonge leeftijd beginnen. Observatieonderzoeken hadden al aangetoond dat patiënten met een inflammatoire darmaandoening een hoger risico op cardiometabole aandoeningen lopen, maar het was nog niet duidelijk in hoeverre dat toe te schrijven is aan ongecontroleerde ontstekingsverschijnselen en het was ook niet duidelijk of een goede behandeling dat risico verlaagt. Eerdere vergelijkende studies bij patiënten met de ziekte van Crohn of colitis ulcerosa hebben tegenstrijdige resultaten opgeleverd, waarschijnlijk als gevolg van vertekenende factoren zoals de leeftijd en de levensstijl. De Australische auteurs hebben een evidentiegebaseerd overzichtsartikel geschreven over de correlatie tussen inflammatoire darmaandoeningen en cardiometabole aandoeningen.
Lipidenparadox
Volgens die meta-analyse bedraagt de prevalentie van metabool syndroom bij patiënten met een inflammatoire darmaandoening 21,9%. Tussen 2010 en 2019 is de incidentie van cardiometabole comorbiditeiten zoals obesitas, slaapapneu, hypertensie, type 2-diabetes en hyperlipidemie gestegen bij patiënten met een inflammatoire darmaandoening. Zo is de prevalentie van obesitas gestegen van 19,7% naar 37,3%. Obesitas correleerde met een slechtere prognose van de inflammatoire darmaandoening: hogere frequentie van recidief, hogere noodzaak tot chirurgie en meer postoperatieve complicaties. Obesitas had bovendien negatieve invloed op de werkzaamheid van geavanceerde geneesmiddelen voor inflammatoire darmaandoeningen zoals TNF-alfa-antagonisten. Of inflammatoire darmaandoeningen zelf insulineresistentie in de hand werken, is niet bekend.
De incidentie van type 2-diabetes was evenwel hoger bij patiënten met een inflammatoire darmaandoening dan in de algemene bevolking, vooral als de diagnose van inflammatoire darmaandoening werd gesteld na de leeftijd van 40 jaar. Comorbide type 2-diabetes correleerde met een hogere frequentie van ziekenhuisopname wegens de inflammatoire darmaandoening en infectieuze complicaties. Anderzijds hadden de patiënten met een inflammatoire darmaandoening vaker een lagere totale cholesterolconcentratie, een lagere HDL-C en een lagere LDL-C. Ondanks dat gunstige lipidenprofiel liepen die patiënten een hoger risico op cardiovasculaire complicaties. Die "lipidenparadox" is mogelijk toe te schrijven aan het feit dat die patiënten een hogere hoeveelheid kleine, meer atherogene LDL-partikels hebben. De incidentie van hart- en vaataandoeningen zoals myocardinfarct, CVA en coronairlijden was verhoogd bij patiënten met een inflammatoire darmaandoening. De incidentie van ischemisch CVA was het hoogst meteen na het stellen van de diagnose van inflammatoire darmaandoening en tijdens een exacerbatie. De gegevens over perifeer arterieel lijden zijn beperkt en inconsistent.
De behandeling van de inflammatoire darmaandoening kan invloed hebben op het cardiometabole risico. Corticosteroïden veroorzaken dosisgebonden metabole bijwerkingen zoals insulineresistentie, diabetische complicaties en verhogen het CV risico. TNF-alfa-antagonisten zijn te mijden bij patiënten met een matig tot ernstig hartfalen. Studies over het effect van IL-12/IL-23-antagonisten op het risico op MACE hebben tegenstrijdige resultaten opgeleverd, vooral bij patiënten met een verhoogd CV risico. JAK-remmers kunnen de serumlipiden en het cardiovasculaire risico verhogen, vooral bij patiënten met cardiovasculaire risicofactoren. Vedolizumab lijkt het cardiometabole risico niet te verhogen en de werkzaamheid ervan wordt niet door obesitas beïnvloed. Thiopurines en methotrexaat kunnen gunstige CV-effecten hebben, wellicht doordat ze de ontstekingsverschijnselen verminderen. S1P-modulatoren zijn over het algemeen veilig, maar verhogen het risico op hypertensie significant en zijn gecontra-indiceerd bij hartfalen.
Bron:
Cardiometabolic diseases in patients with inflammatory bowel disease: An evidence-based review. World J Gastroenterol. 2025. Jun 28;31(24):107661. doi: 10.3748/wjg.v31.i24.107661.