Dossiers  >   Hoesten en verkoudheid  >  Diagnose van chronische rhinosinusitis met of zonder neuspoliepen

Diagnose van chronische rhinosinusitis met of zonder neuspoliepen

De diagnose moet rekening houden met de ernst van de symptomen en de verslechtering van de kwaliteit van leven. Er zijn algemene en ziektespecifieke vragenlijsten over de kwaliteit van leven die worden gebruikt om de ernst van de ziekte en het succes van de therapie te beoordelen. De Sino-Nasal Outcome Test-22 (SNOT-22) wordt momenteel het meest gebruikt.

Bovendien moet de intensiteit van de individuele symptomen van neusobstructie, reukstoornissen en de totale sinonasale symptomen in de afgelopen 4 weken worden geregistreerd met behulp van een visuele analoge schaal (VAS) van 0-10. 

Een bloedonderzoek kan ook helpen een verschil te maken tussen verschillende ziektebeelden. CRS zonder neuspoliepen gaat vaak gepaard met een neutrofiele ontstekingsreactie (type 1 inflammatoire respons), terwijl een CRS met poliepen vaak een stijging van het aantal eosinofielen en van IgE (type 2 inflammatoire respons) laat zien.

De neus zelf kan worden onderzocht met anterieure rhinoscopie, maar de neusendoscopie is betrouwbaarder. Die is een onmisbaar onderdeel van de diagnostiek. . Endoscopische tekenen van CRS zijn oedeem, slijm of pus en poliepen in de middelste neusholte of de hoofdneusholte. Bij twijfel kan eventueel een "low-dose" computertomografie (CT) meer informatie geven, maar is niet meteen aan de orde in de eerste lijn, tenzij er alarmsymptomen aanwezig zijn: hevige unilaterale hoofdpijn, koorts, neurologische uitval of oogsymptomen.

De CT-bevindingen moeten altijd worden gecorreleerd met de klinische symptomen van de patiënt, aangezien het aantal incidentele bevindingen hoog is. CT wordt ook gebruikt om de individuele anatomie te beoordelen vóór een sinusoperatie.

Typische tekenen bij CT zijn gedeeltelijke of volledige arcering van de ostiomeatale eenheid en aangetaste neusbijholten en, afhankelijk van de ernst, polyposis nasi ook van de hoofdneusholte. In het geval van onduidelijke en/of eenzijdige bevindingen, bijvoorbeeld als maligniteit of omgekeerd papilloma wordt vermoed, moet magnetische resonantiebeeldvorming (MRI) worden aangevuld en, indien nodig, een biopsie worden uitgevoerd.

Neuspoliepen, een duistere pathogenese

Volledige uitval van de reukzin in een context van klachten die typisch zijn voor chronische sinusitis, is sterk suggestief voor de aanwezigheid van neuspoliepen.

Het ziet er overigens naar uit dat bij chronische sinusitis mét en zonder neuspoliepen twee verschillende pathogenetische mechanismen aan het werk zijn. 

In ieder geval wordt er gedacht in de richting van een samenspel van genetische en omgevingsfactoren waaronder allergie en blootstelling aan buitenlucht met hoge concentraties fijn stof of vluchtige, irriterende substanties gebruikt in de werksfeer. Andere factoren zijn de samenstelling van het neusmicrobioom: Staphylococcus aureus kan hier een rol spelen, maar ook andere microbiële triggers, zoals een schimmelinfectie. Neuspoliepen groeien op de meest kwetsbare plaatsen van de sinussen: Vandaar de hypothese dat neuspoliepen eigenlijk een beschermingsmechanisme zijn. Ze zitten immers vol immuuncellen. Het is redelijk te veronderstellen dat het slijmvlies van neus en sinussen op een bepaald ogenblik wordt beschadigd door een of andere vorm van agressie, zoals een virale infectie in combinatie met omgevingsfactoren.

Dit is een eerste niveau waarop genetisch bepaalde kwetsbaarheid kan meespelen: niet bij iedereen zal de barrièrefunctie van het neus- of sinusslijmvlies door deze agressoren verstoord worden. Ten tweede, waarom verdwijnen poliepen niet na genezing? Hier komen ook onderhoudende factoren in beeld. Dat kan bijvoorbeeld professionele blootstelling aan irriterende stoffen zijn, maar ook de al hogervermelde Staphylococcus aureus. Kolonisatie van het neusslijmvlies met deze bacterie vindt men bij 30% van de algemene bevolking, maar bij patiënten met neuspoliepen bereikt het cijfer 60 tot 80%. 

Pascale Pierard - Belangenconflicten: geen • MediQuality