Platineresistente ovariumkanker en antisteroïden
De gevoeligheid van de tumor voor platinaverbindingen verhogen via een selectieve glucocorticoïdreceptorantagonist is een elegante oplossing, die blijkt te werken bij platineresistente ovariumkanker.
Wat kan je doen in geval van een platineresistente ovariumkanker? Je kan uiteraard nieuwe geneesmiddelen voorschrijven, maar sommige vorsers verkiezen de gevoeligheid voor platinaverbindingen te herstellen met complementaire behandelingen. Relacorilant bijvoorbeeld, een selectieve glucocorticoïdreceptorantagonist van de eerste generatie, verzwakt het cortisolsignaal en verhoogt zo de gevoeligheid van de tumor voor chemotherapie. Een eerste gerandomiseerde fase 2-studie heeft meerdere wijzen van toediening van relacorilant (continu of intermitterend) in combinatie met nab-paclitaxel onderzocht. Bij vrouwen met een platineresistente ovariumkanker werden met name bij intermitterende toediening interessante resultaten behaald in vergelijking met nab-paclitaxel in monotherapie.
De fase 3-studie ROSELLA (GOG-3073/ENGOT-ov72), waarvan de eerste resultaten zijn gepresenteerd op het ASCO 2025 en het ESMO 2025, heeft het effect van toevoeging van relacorilant aan nab-paclitaxel op de progressievrije overleving en de totale overleving in die populatie onderzocht.
Progressievrije overleving en totale overleving
Die multicentrische, gerandomiseerde, gecontroleerde, open fase 3-studie is uitgevoerd bij patiënten met een epitheliale platineresistente ovarium-, peritoneum- of eileiderkanker die tot drie eerdere behandelingen hadden gekregen, waaronder bevacizumab. De patiënten werden in een 1-1-verhouding gerandomiseerd naar relacorilant (150 mg per os de dag voor, de dag zelf en de dag na het infuus van nab-paclitaxel) in combinatie met nab-paclitaxel (80 mg/m² intraveneus op dag 1, 8 en 15 van elke cyclus van 28 dagen) of naar nab-paclitaxel in monotherapie (100 mg/m² intraveneus volgens hetzelfde schema). De twee primaire eindpunten die in die publicatie zijn geëvalueerd, zijn de progressievrije overleving (PFS) en de totale overleving.
Een maand langere overleving
De studie is uitgevoerd bij 381 patiënten: 188 patiënten hebben de combinatietherapie gekregen en 193 enkel nab-paclitaxel. De progressievrije overleving was significant beter in de ‘relacorilant + nab-paclitaxel'-groep dan in de ‘nab-paclitaxel'-groep (HR: 0,70 [95% BI: 0,54-0,91]; mediane PFS 6,54 maanden [95% BI: 5,55-7,43] versus 5,52 maanden [3,94-5,88]; p = 0,0076). Het verschil was weliswaar klein, maar niet onbelangrijk als je weet dat de mediane overleving bij die kanker zeer slecht is. Bij de geplande tussentijdse analyse is tevens een klinisch relevant verschil in totale overleving vastgesteld: de mediane totale overleving bedroeg 15,97 maanden (95% BI: 13,47-nog niet bereikt) in de ‘relacorilant + nab-paclitaxel'-groep en 11,50 maanden (95% BI: 10,02-13,57) in de ‘nab-paclitaxel'-groep ((HR 0,69 [95% BI: 0,52-0,92], log-rank p = 0,0121). Na correctie voor de blootstelling aan nab-paclitaxel waren de bijwerkingen vergelijkbaar in de twee groepen.
Welke plaats in Europa?
De studie bevestigt de werkzaamheid van de combinatie relacorilant en nab-paclitaxel: verbetering van de PFS en de totale overleving. Welke plaats gaat die behandeling krijgen in een therapeutisch landschap dat voortdurend evolueert? Een eerste punt is dat die geneesmiddelen nog niet te verkrijgen zijn in Europa. Voorts moet een vergunning voor het in de handel brengen worden afgeleverd voor die combinatietherapie en moet de combinatietherapie nog in die indicatie worden goedgekeurd. En tot slot moeten we nagaan welke patiënten in aanmerking komen voor die behandeling: patiënten zonder folaatreceptorexpressie, patiënten die al mirvetuximab of soravtansine hebben gekregen (geneesmiddelen die in Europa wel al te verkrijgen zijn)?
Bron:
Olawaiye AB, Gladieff L, O'Malley DM et coll. Relacorilant and nab-paclitaxel in patients with platinum-resistant ovarian cancer (ROSELLA): an open-label, randomised, controlled, phase 3 trial. Lancet. 2025 ; 405(10496):2205-2216. doi: 10.1016/S0140-6736(25)01040-2