Nieuws bij het sjögrensyndroom?
Behandelingen, klinische factoren en follow-up … Op het congres van de EULAR 2025 zijn meerdere presentaties gegeven over het sjögrensyndroom, een zeer heterogeen ziektebeeld, waarvoor er nog geen curatieve behandeling bestaat.
Een Belgische groep werkt met efgartigimod (positieve fase 2-studie)
Isabelle Peene et coll. (Gent) (1) hebben de resultaten gepresenteerd van een placebogecontroleerde studie die de werkzaamheid en de veiligheid van efgartigimod iv heeft onderzocht bij 34 patiënten met een sjögrensyndroom. Efgartigimod is een monoklonale antistof gericht tegen de neonatale FC-receptor (FcRn). Het primaire eindpunt was een samengesteld eindpunt CRESS (composite of relevant endpoints for Sjögens syndrome). Een van de items van het samengestelde eindpunt heeft zich voorgedaan bij 45,5% (10/22) van de patiënten van de efgartigimodgroep en bij 11,1% (1/9) van de patiënten van de placebogroep. 4 van de 5 items van CRESS waren beter met efgartigimod (systemische activiteit, speekselfunctie, traanfunctie en serologie).
Ook het percentage cSTAR-respons na 24 weken was hoger met efgartigimod (54,5% versus 33,3%). In beide groepen zijn de scores op de ESSDAI en de ClinESSDAI significant verbeterd. Efgartigimod resulteerde in een snelle daling van de IgG en de autoantistoffen tegen Ro52 (daling met respectievelijk 58,3% en 63,8% vanaf week 4), de C1q-immuuncomplexen (daling met respectievelijk 4,0 µg Eq/ml vs. 0,1 in de placebogroep) en reumafactor (daling met respectievelijk 19,6% en 6,3%).
Welke progressie bij de 10% patiënten met tevens diffuus interstitieel longlijden?
Een sjögrensyndroom kan worden gecompliceerd met diffuus interstitieel longlijden. De evolutie daarvan is zeer uiteenlopend, van een stabiel ziektebeeld tot een snelle progressie. Vorsers hebben een prospectief, multicentrisch onderzoek uitgevoerd bij 163 patiënten met een sjögrensyndroom én een diagnose van diffuus interstitieel longlijden (bewezen met een CT-scan) met evaluatie van de longfunctie waaronder de geforceerde vitale capaciteit (FVC).(2)
Bij de 163 patiënten werden de volgende patronen geïdentificeerd: lymfoïd diffuus interstitieel longlijden (LIP) (n = 60), aspecifieke interstitiële pneumonitis (NSIP) (n = 32), gewone interstitiële pneumopathie (n = 12) (UIP) en georganiseerde pneumopathie (n = 4). De 55 overige patiënten vertoonden een niet-geklasseerd patroon.
Bij 84 patiënten werd de FVC na 12 maanden gecontroleerd. Bij 29 patiënten (34,5%) was die significant gedaald (absolute daling van de FVC ≥ 5% over een periode van 12 ± 6 maanden). Bij die patiënten is de gemiddelde FVC gedaald van 92% naar 78%. Bij de patiënten zonder progressie is de FVC verbeterd van 87% naar 93%.
Bij multivariate analyse hebben de vorsers twee onafhankelijke risicofactoren van progressie teruggevonden: hoesten (OR 9,5; 95% BI: 1,14-76,68; p = 0,030) en een NSIP- of UIP-patroon (OR 5,0; 95% BI: 1,45-17,27; p = 0,011).
Bij patiënten met een sjögrensyndroom zal een diffuus interstitieel longlijden vaak verergeren (bij meer dan een derde van de patiënten na een jaar).
Prognostische biomarkers
Anti-SSA-antistoffen zijn de belangrijkste autoantistoffen bij een sjögrensyndroom. Er bestaan twee types van: antistoffen tegen Ro60, die zeer specifiek zijn voor de ziekte en dus een belangrijke diagnostische waarde hebben, en antistoffen tegen Ro52, die minder specifiek zijn. Welke prognostische waarde hebben die antistoffen bij het sjögrensyndroom, toch een zeer heterogene ziekte?
De vorsers hebben hun analyse uitgevoerd bij 353 patiënten:(3) 17 patiënten Ro52−/Ro60−, 25 patiënten Ro52+, 23 Ro60+ en 188 patiënten Ro52+/Ro60+. Bij inclusie was de score op de ESSDAI significant hoger bij de Ro52+ en de Ro52+/Ro60+ patiënten dan bij de Ro52-/Ro60- patiënten (p = 0,034 en p <0,0001). Dat verschil bleef gedurende 5 jaar gehandhaafd.
Omgekeerd hadden de Ro52−/Ro60− patiënten de hoogste score op de ESSPRI bij inclusie in de studie (p = 0,0092) en die tendens bleef over verloop van tijd stabiel. Het biologische profiel verschilde naargelang van de groep: Ro52+ en Ro52+/Ro60+ patiënten hadden hogere plasmaconcentraties van β2-microglobuline, reumafactor en IFN-α.
Aantasting van de speekselklieren en lymfadenopathieën waren frequenter bij de Ro52+ en de Ro52+/Ro60+ patiënten en gewrichtslijden was minder frequent bij de Ro52+/Ro60+ patiënten. De frequentie van lymfoom was hoger bij de Ro52+ (8,3%) en de Ro52+/Ro60+ patiënten (4,4%) dan bij de Ro60+ (0%) en de Ro52-/Ro60- patiënten (2,7%), maar de verschillen waren niet statistisch significant.
Patiënten met antistoffen tegen Ro52 al dan niet samen met antistoffen tegen R060 vormen dus een subgroep met een hogere systemische activiteit, een apart immunobiologisch profiel en een hoog risico op optreden van een lymfoom.
Bronnen:
- Peene I , Verstappen G, Deprez J et coll. Treatment of primary Sjögren's disease by blocking FcRn: clinical and translational data from RHO, a phase 2 randomized, placebo controlled, double-blind, proof-of-concept study with efgartigimod. https://scientific.sparx-ip.net/archiveeular/index.cfm?searchfor=OP0041&view=1&c=a&item=2025OP0041
- Sprecher M, Kastrati K, Bruni D et coll. Interstitial lung disease associated with Sjögren's disease (SjD-ILD) is frequently progressive across all highresolution computed tomography (HRCT) patterns. https://scientific.sparx-ip.net/archiveeular/index.cfm?c=a&searchfor=OP0044&view=1&item=2025OP0044
- Bettacchioli E, Asselineau J, Saraux A et coll. Anti-Ro52 and anti-Ro60 autoantibodies in Sjögren's Disease: Insights into Systemic Activity, Biological Profiles, and Lymphoma Risk. https://scientific.sparx-ip.net/archiveeular/index.cfm?c=a&view=1&searchfor=OP0046&item=2025OP0046
Treatment of primary Sjögren's disease by blocking FcRn: clinical and translational data from RHO, a phase 2 randomized, placebo controlled, double-blind, proof-of-concept study with efgartigimod
Interstitial lung disease associated with Sjögren's disease (SjD-ILD) is frequently progressive across all high-resolution computed tomography (HRCT) patterns
Anti-Ro52 and anti-Ro60 autoantibodies in Sjögren's Disease: Insights into Systemic Activity, Biological Profiles, and Lymphoma Risk