Medisch  >  Opsporing van type 1-diabetes in een preklinisch stadium

Opsporing van type 1-diabetes in een preklinisch stadium

Bij veel kinderen en adolescenten met type 1-diabetes zijn de metabole doelstellingen van de ISPAD niet haalbaar ondanks de technologische aanwinsten. Opsporing van type 1-diabetes in een preklinisch stadium biedt de mogelijkheid het glykemiecontrole in een vroeg stadium te verbeteren, zoals is uitgelegd tijdens de 14e Rencontres de la SFEDP.

Een gestandaardiseerde screening op type 1-diabetes om de resterende insulinesecretie te vrijwaren

Door opsporing van type 1-diabetes in een preklinisch stadium verlaag je het risico dat de diagnose pas wordt gesteld naar aanleiding van een diabetische ketoacidose en kan je de resterende insulinesecretie langer vrijwaren. Daardoor verbetert de metabole controle en vermindert de morbiditeit op lange termijn. Tegen die achtergrond heeft een groep Franse experts in 2024 een voorstel voor opsporing van type 1-diabetes in de risicopopulatie opgesteld. De screening richt zich tot eerstegraads verwanten van patiënten met type 1-diabetes (ouders, kinderen, broers en zussen) van 2 tot 45 jaar en bestaat in een bloedafname voor bepaling van minstens twee autoantistoffen: IAA (insulineautoantistoffen), GAD (autoantistoffen tegen glutaminezuurdecarboxylase) of IA-2 (‘islet antigen 2'-autoantistoffen).

Een gestructureerde screening

In circa 95% van de gevallen is de screening negatief, d.w.z. er worden geen autoantistoffen gevonden. Bij kinderen jonger dan 12 jaar moet de screening dan om de 2-4 jaar worden herhaald; boven de leeftijd van 12 jaar wordt één bepaling als voldoende beschouwd.

Als je één autoantistof vindt, is een tweede bepaling binnen drie maanden nodig om dat te bevestigen. In ongeveer twee derde van de gevallen blijkt het te gaan om tijdelijke antistoffen of een foutpositieve test. Slechts bij een derde van de patiënten blijven de antistoffen positief. We spreken dan van type 1-diabetes stadium 1 of preklinische diabetes. 15% van die patiënten zal over een periode van 10 jaar een klinische diabetes ontwikkelen. Het risico op progressie is wisselend en hangt met name af van het latere verschijnen van andere autoantistoffen. Het risico is hoger bij kinderen en daalt met de leeftijd. In geval van een stadium 1 is een regelmatig bloedonderzoek (IAA, GAD, IA-2, Znt8, HbA1c, postprandiale glykemie) wenselijk; de frequentie hangt af van de leeftijd.

Patiënten met twee autoantistoffen bevestigd bij een tweede bloedafname zullen altijd evolueren naar een klinische diabetes. Die patiënten moet je naar een expertisecentrum verwijzen om na te gaan of het gaat om een stadium 1 (auto-immuniteit met ≥ 2 autoantistoffen zonder afwijkingen van de glykemiecontrole) dan wel een stadium 2 (nog geen symptomen, maar wel afwijkingen van de insulinesecretie en hyperglykemie bij een orale glucosetolerantietest). 

Diagnostische criteria van type 1-diabetes stadium 1, 2 en 3 als minstens twee autoantistoffen positief zijn

Een diagnose van stadium 2 wordt gesteld als de patiënt 2 van de bovenvermelde 5 criteria (nuchtere glykemie, HbA1c-gehalte, OGTT na 120 min en op de andere tijdstippen, CGM) vertoont of één criterium bij 2 metingen over een periode van 12 maanden. aBij 2 metingen of bij één meting in geval van symptomen van hyperglykemie. bDe diagnose moet altijd worden bevestigd door minstens één ander criterium. TATR = time above tight range

De surveillance hangt af van het stadium en de leeftijd van de patiënt. Die gebeurt zowel thuis (zelfmonitoring van de glykemie of continue glucosemonitoring met een sensor) als in het ziekenhuis (OGTT, HbA1c-gehalte). Bij kinderen is een frequentere follow-up wenselijk.

Ethische en psychologische beschouwingen

Kinderen die bij screening op type 1-diabetes een preklinische diabetes blijken te hebben, vertonen geen symptomen, maar dreigen toch te evolueren naar een ernstige chronische ziekte. Dat kan voor het kind en het gezin ernstige psychische gevolgen hebben: stress, angst, schuldgevoelens. De procedure is nog delicater bij kinderen. Je moet de beslissing dan ook overlaten aan de ouders. Je moet duidelijke en gepersonaliseerde informatie geven op een gepast ogenblik, aangevuld met pedagogische ondersteuning. Je moet de patiënt voldoende bedenktijd geven. De patiënt heeft het recht niet te willen weten en je moet dat respecteren. Tijdens het hele screeningtraject is het advies van een psycholoog wenselijk om het gezin te ondersteunen.

Bronnen:

  1. Pr. Jacques Beltrand, Dr Kevin Perge et Dr Sabine Baron, « Le dépistage du DT1 pré clinique : Pourquoi ? Pour qui ? Comment ? », 14e rencontres de la Société Française d'Endocrinologie et Diabétologie Pédiatrique (SFEDP), Bordeaux, 25-27 juin 2025
  2. Mallone R, Bismuth E, Thivolet C, et al. Dépistage et prise en charge du diabète de type 1 préclinique, stade 1–2. Prise de position d'experts français. Médecine des Maladies Métaboliques. 2024;18(5):405-432.  https://doi.org/10.1016/j.mmm.2024.06.003
Screening and care of preclinical stage 1-2 type 1 diabetes. French expert position statement

Dr. Isaline Morard - Belangenconflicten: geen • MediQuality