Diabetes en zwangerschap: beter met continue glucosemonitoring
Bij zwangere vrouwen met type 1-diabetes of zwangerschapsdiabetes verbetert continue glucosemonitoring de prognose van moeder en kind. Op het congres van de European Association for the Study of Diabetes (EASD 2025) in Wenen zijn meerdere studies daarover gepresenteerd.
Minder hypertensie bij de moeder, minder hypoglykemie bij de baby
In de CRISTAL-studie, een Belgische studie bij 95 zwangere vrouwen met type 1-diabetes, resulteerde continue glucosemonitoring in combinatie met een insulinepomp in een betere verloskundige prognose van moeder en kind. Katrien Benhalima et coll. (UZ Leuven - Gasthuisberg) hebben specifiek de tijd dat de glykemie ‘s nachts binnen de streefwaarde voor de zwangerschap lag (TIRp - pregnancy specific time in range), gemeten.
Elke stijging van de TIRp correleerde met een daling van het risico op zwangerschapshypertensie (OR 0,63; 95% BI: 0,41-0,97), een geboortegewicht > 4,5 kg (macrosomie) (OR 0,56; 95% BI: 0,32-0,96) en neonatale hypoglykemie waarvoor een behandeling vereist was (OR 0,09; 95% BI: 0,01-0,57).
Een secundair eindpunt was de nachtelijke TIRp. Een stijging van de nachtelijke TIRp met 5% correleerde met een 29% lager risico op zwangerschapshypertensie en een 85% lager risico op neonatale hypoglykemie.
Elke stijging van de tijd dat de glykemie boven de streefwaarde voor de zwangerschap lag (TARp - time above pregnancy specific range), met 5% correleerde met een hogere incidentie van een geboortegewicht > 4,5 kg (1,76; 95% BI: 1,05-2,96), een hogere incidentie van respiratoire distress (1,55; 95% BI: 1,02-2,37) en een hoger risico op neonatale hypoglykemie waarvoor een behandeling vereist was (5,1; 95% BI: 1,14-22,78).
Een stijging van de gemiddelde glykemie met 5 mg/dl correleerde met een 46% hoger risico op respiratoire distress. Elke stijging van de standaarddeviatie van de glykemie met 5 mg/dl correleerde met een hogere waarschijnlijkheid van zwangerschapshypertensie (1,69; 95% BI: 1,02-2,80) en een geboortegewicht > 4,5 kg (2,31; 95% BI: 1,20-4,43).
Zwangerschapsdiabetes: continue glucosemonitoring verlaagt het risico op macrosomie
In een gerandomiseerde studie die is gepresenteerd tijdens een ‘late breaking'-sessie was de incidentie van macrosomie lager bij de baby's van de zwangere vrouwen met zwangerschapsdiabetes bij wie continue glucosemonitoring werd toegepast, dan bij de vrouwen die zelf hun glykemie controleerden.2
Tina Linder et coll. (Wenen, Oostenrijk) hebben de GRACE-studie, een gerandomiseerde, gecontroleerde studie, uitgevoerd bij 375 vrouwen met zwangerschapsdiabetes om het effect van continue glucosemonitoring op de neonatale parameters te vergelijken met dat van zelfmonitoring van de glykemie. In die studie is continue glucosemonitoring tot de bevalling toegepast bij 170 vrouwen en hebben 175 vrouwen hun zwangerschapsdiabetes op de klassieke manier gevolgd.
Gebruik van continue glucosemonitoring resulteerde in een significante daling van het percentage macrosomie gecorrigeerd voor de zwangerschapsleeftijd (OR 0,32). Dat werd bevestigd bij twee analyses met correctie voor de body mass index, de leeftijd, een voorgeschiedenis van zwangerschapsdiabetes en het onderzoekscentrum. Het absolute aantal baby's dat te zwaar was voor de zwangerschapsleeftijd, bedroeg 3,5% als de moeders werden gevolgd met continue glucosemonitoring, en 10,3% als de glykemie op de standaardwijze werd gevolgd (p = 0,014).
Omgekeerd was het aantal baby's dat te klein was voor de zwangerschapsleeftijd (microsomie), groter in de groep met continue glucosemonitoring dan in de controlegroep (respectievelijk 19,4% en 13,1%).
Het aantal baby's dat op een neonatale intensive care werd opgenomen, was lager in de groep met continue glucosemonitoring (3,5%) dan in de controlegroep (8,1%).
De tijd dat de glykemie tussen 36 en 38 weken zwangerschap binnen de strikte spreiding van 65-140 mg/dl lag, was langer met continue glucosemonitoring, vooral bij de vrouwen die antidiabetica kregen.
De auteurs hebben geen verschil in de totale hoeveelheid antidiabetica gemeten, maar snelwerkende insuline werd vaker voorgeschreven aan de vrouwen die werden gevolgd met continue glucosemonitoring, dan in de controlegroep (41,2% versus 30,3%, p = 0,035).
Bronnen:
- Benhalima K, Geerst I, Van Wilder N et coll. Continuous glucose monitoring metrics and pregnancy outcomes in type 1 diabetes: a secondary analysis of the CRISTAL trial. Présentation 845.
- Linder T, Dressler-Stienbach I, Wegener S et coll. Glycaemic control and pregnancy outcomes with real-time continous glucose monitoring in gestational diabetes (GRACE): an open-label, international, randomised controlled trial. Session LBA 08.